Lexplicatie 3.74a; Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002. Wet veiligheidsonderzoeken

Auteurs:
DielemansJongbloed prijs:
€ 49,50
Dit boek is leverbaar en op voorraad
Boek | Ingenaaid | 379 bladzijden | Nederlands
Kluwer | 2e editie | Verschenen in 2010
ISBN-13: 9789013082357 | ISBN-10: 9013082351 |
Inhoudsopgave


Samenvatting
Extremisme, terrorisme en spionage: dergelijke gevaren voor de Nederlandse staat zijn de zorg van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). De taken en bevoegdheden van de AIVD zijn neergelegd in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002. Deze wet regelt ook de positie van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD).
Dit Lexplicatiedeel bevat de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 met bijbehorende lagere regelgeving . Ook is opgenomen de Wet veiligheidsonderzoeken, die regels geeft voor de aanwijzing van vertrouwensfuncties en voor het verrichten van veiligheidsonderzoeken.
De auteur heeft het geheel voorzien van helder commentaar, waarin aan de hand van de parlementaire behandeling en de jurisprudentie uitleg wordt gegeven over de regelgeving die de bevoegdheden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten scheppen - en daaraan paal en perk stellen.
Serie
Rubriek / NUR
Staats- & Bestuursrecht
Aankomende cursussen omtrent Staats- & Bestuursrecht:
Juridische kalender
Trefwoorden
De volgende trefwoorden zijn opgenomen bij dit boek: Bestuursrecht, Spionage, Regelgeving, Staatsrecht, Extremisme, AIVD, Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 200, 4.210 Nederland, Terrorisme, MIVD
Literatuurlijsten
Wettenbundels
In deze titel zijn een aantal wetten opgenomen waaronder:
- Aanwijzingsbesluit artikel 39 WIV 2002
- Aanwijzingsbesluit onderwerpen Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002
- Beleidsregel onvoldoende gegevens bij veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens
- Beleidsregel veiligheidsonderzoeken voor de politie
- Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens
- Toon alle wetten die in deze bundel staan.
Recente uitspraken bij deze wetten:
| Datum | LJN | Samenvatting |
| 15-03-2011 | BP7544 | Piranha-onderzoek. Cassatie verdachte. Conclusie advocaat-generaal. 1. Gebruik AIVD-informatie voor het bewijs. 2. Verbaliseringsplicht a.b.i. art. 152 Sv. 3. ?Ne bis in idem?. Ad 1. Er is contact geweest tussen de AIVD en familie van verdachte en dit is van invloed geweest op het telefoongesprek dat verdachte met haar zus heeft gevoerd en dat voor het bewijs is gebruikt. De AIVD heeft geweigerd om overige door de dienst opgenomen gesprekken van verdachte en haar familie te verstrekken hoewel deze een ander licht zouden kunnen werpen op de inhoud van het voor het bewijs gebezigde telefoongesprek. Geklaagd wordt o.m. dat het hof zich te makkelijk bij de weigering van de AIVD heeft neergelegd en de verdediging onvoldoende compensatie heeft geboden voor de achterstand waarop zij door deze weigering kwam te staan. Het enkele feit dat de AIVD informatie binnenskamers houdt leidt niet onontkoombaar tot een schending van artikel 6 EVRM. ?s Hofs oordeel dat het optreden van de AIVD jegens familieleden van verdachte niet onrechtmatig is geweest en dat er voldoende compensatie is geboden doordat familieleden van verdachte zijn ondervraagd en deels ook ondervraagd zijn kunnen worden door de verdediging over de inhoud van hun contacten met verdachte is niet onbegrijpelijk. Ad 2. Een opsporingsambtenaar heeft verzuimd proces-verbaal op te maken van een telefoongesprek met een getuige. Art. 152 Sv strekt ertoe de controle van de strafrechter op het totale verloop van het opsporingsonderzoek mogelijk te maken. Nu, voorzover de verbaliseringsplicht niet zou zijn nageleefd, in hoger beroep alsnog alle gegevens m.b.t. het niet geverbaliseerde telefoongesprek vastgesteld zijn kunnen worden en het hof die heeft kunnen betrekken in enig in het eindonderzoek te nemen beslissing, is dit doel geen geweld aangedaan. Ad 3. Bewezenverklaard is onder meer deelneming aan een criminele en terroristische organisatie in de periode van 11 november 2004 t/m 14 oktober 2005 en medeplegen van voorbereidingshandelingen van moord en/of doodslag, met een terroristisch oogmerk, op één of meer Nederlandse politici, in de periode van april 2005 t/m 14 oktober 2005. Het hof heeft voor deze feiten, die in Nederland en/of België zijn gepleegd, redengevend geacht dat verdachte een machinepistool van het merk Agram 2000 voorhanden heeft gehad. Verdachte is eerder, bij een onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Rotterdam (LJN AU4531), veroordeeld wegens medeplegen van het voorhanden hebben van de Agram 2000 in de periode van 1 mei 2005 t/m 22 juni 2005 te Amsterdam en elders in Nederland. De medepleger in die zaak is medeverdachte in de onderhavige zaak. Er is sprake van een dubbele vervolging voor hetzelfde feit a.b.i. art. 68 Sr. Arrest Hoge Raad volgt. |
| 09-02-2011 | BP3696 | Bij besluit van 20 maart 2009 heeft de minister geweigerd ten behoeve van [wederpartij] voor de door hem geambieerde functie een verklaring van geen bezwaar (hierna: verklaring) af te geven en de eerder afgegeven verklaring voor zijn huidige functie ingetrokken. Bij afzonderlijke besluiten van 27 augustus 2009 heeft de minister de door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. |
| 29-09-2010 | BN8600 | Bij besluit van 4 maart 2008 heeft de minister een verzoek van [verzoeker] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. |
| 08-07-2009 | BJ3130 | Ontbinding arbeidsovereenkomst na intrekking Verklaring van Geen Bezwaar (VGB). Van KLM kan niet gevergd worden verweerder in andere, niet-vertrouwensfunctie te werk te stellen, mede gelet op het feit dat verweerder 'een gewaarschuwd man' was. KLM heeft conform het bij haar geldende beleid gewacht met het starten van een beëindigingsprocedure tot het bezwaar van verweerder op de intrekking van de VGB ongegrond was verklaard. Zij heeft gedurende de bezwaarprocedure het loon aan verweerder doorbetaald. Voor aanhouding van de ontbindingsprocedure in afwachting van de uitspraak in een door verweerder aanhangig gemaakte voorlopige voorzieningenprocedure, ziet de kantonrechter geen aanleiding. |
| 07-07-2009 | BG7232 | Veroordeling medewerker AIVD wegens het prijsgeven van staatsgeheime informatie aan personen die tot kennisneming van die informatie niet gerechtigd waren. 1. Geheimhoudingsplicht, Wet op de inlichtingen ? en veiligheidsdiensten 2002 (WIV 2002). 2. Voeging stukken. 3. Inlichtingen a.b.i. art. 98.1 en 2 Sr. Ad 1. I.c. is aan verdachte o.g.v. art. 86.1 WIV 2002 ontheffing verleend van zijn geheimhoudingsplicht ex art. 85 WIV 2002. De daaraan verbonden voorwaarden strekten er onmiskenbaar toe dat verdachte bepaalde gegevens in het strafproces i.c. niet zou openbaren. De wet kent geen uitzondering op de geheimhoudingsplicht als de betreffende ambtenaar verdachte is. Indien evenwel de rechter t.t.z., al dan niet n.a.v. een verzoek/verweer van de verdediging, van oordeel is dat het verdedigingsbelang vergt dat de onder de geheimhoudingsplicht vallende gegevens door verdachte worden geopenbaard, zal de rechter de hier conflicterende belangen dienen af te wegen. Richtsnoer daarbij is of ingeval die gegevens niet alsnog kunnen worden geopenbaard, nog sprake kan zijn van een fair proces a.b.i. art. 6 EVRM. Vzv. het Hof een andere processueel kader dan door de HR aangegeven, voor ogen heeft gestaan, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dat leidt niet tot cassatie nu i.c. het debat zich toegespitst heeft op de door de verdediging noodzakelijk geachte verstrekking van de personalia van AIVD-medewerkers en dienaangaande aan verdachte geen ontheffing van zijn geheimhoudingsplicht was verleend. ?s Hofs oordeel dat het door de verdediging beoogde doel ook kon worden bereikt door aanduiding van die medewerkers met codenummer is onjuist, noch onbegrijpelijk. Met de in art. 269 Sv voorziene behandeling van de zaak met gesloten deuren kan in een geval als i.c. niet worden bereikt dat die geheimhoudingsplicht wordt doorbroken en verdachte kan verklaren zonder gebonden te zijn aan de aan de ontheffing van die plicht verbonden voorwaarden. Ad 2. Ervan uitgaande dat de AIVD in deze zaak niet ?als opsporingsinstantie? is opgetreden, heeft het Hof geoordeeld dat er geen grond bestond om de op dat onderzoek betrekking hebbende stukken aan het dossier toe te voegen. Het Hof heeft geoordeeld dat de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest de betrouwbaarheid van de door de AIVD bij de aangifte aangeleverde documenten en informatie te toetsen. Daarbij heeft het in aanmerking genomen dat de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest daaromtrent getuigen (medewerkers van de AIVD) te horen. O.g.v. e.e.a. is het Hof tot de slotsom gekomen dat de verdediging in dit opzicht niet is tekortgedaan. Die oordelen zijn onjuist, noch onbegrijpelijk. ?s Hofs uiteindelijke oordeel dat de verdediging, mede gelet op hetgeen door haar met de ondervraging van die getuigen is beoogd, niet zodanig is belemmerd in haar verdedigingsrechten dat niet meer van een eerlijk proces kan worden gesproken, is onjuist, noch onbegrijpelijk. Ad 3. Het Hof heeft tot uitgangspunt genomen dat ?i.h.k.v. de wettelijke taak van de AIVD t.a.v. terrorismebestrijding, het belang van de Staat meebrengt dat het actuele kennisniveau, de (menselijke) bronnen en de operationele werkwijzen van de AIVD geheim worden gehouden en dat die informatie tot de veiligheid van de Staat in betrekking staat?. Daarvan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat het zich a.d.h.v. andere stukken, de toelichtingen van de AIVD daarbij en de verificatie van het standpunt van de AIVD door de OvJ terrorismebestrijding, in onderlinge samenhang bezien, voldoende in staat achtte om de aard en het karakter van de teksten te beoordelen. Aldus is het Hof tot het oordeel gekomen dat de informatie op de documenten inlichtingen betreft waarvan de geheimhouding door het belang van de Staat wordt geboden en die tot de veiligheid van de Staat in betrekking staan, a.b.i. art. 98 Sr. E.e.a. is onjuist, noch onbegrijpelijk. |